Luciano da Ponte a Moriano

 

Het is dinsdag 31 juli 2012. De vakantie van twee weken in Ponte a Moriano, Lucca, Toscana, loopt alweer bijna op zijn einde. Ik stap vroeg, vakantievroeg om half 9, mijn bed uit om me op te maken voor een ruim van te voren uitgezette fietsrit. Mijn 6 reisgenoten liggen nog lekker te slapen. In de al brandende ochtendzon geniet ik van mijn Italiaanse ontbijt. Het water van het zwembad kabbelt rustig over de rand met daarachter de olijfboomgaard van het huis wat we huren. Wat een leven…

De eerste reisgenoten komen naar buiten. “Zozo, vroeg op Tim?” Ja, het wordt zoals al de hele week 36 graden of meer. Maar ik wil toch die fietsrit maken. Eigenlijk had ik al om 7 uur ’s morgens weg moeten rijden toen was het nog wat minder warm, maar voor mij als avondmens is dat simpelweg geen optie.

 fietsen

De aanloop

Ik maak me klaar voor de rit. Ik geef mijn banden een klein beetje extra lucht, trek mijn shirt aan, helm op, water in de bidons, zonnebril op, telefoon mee met Runkeeper aan. Wat repen mee en vooral ook niet het fietspompje vergeten. Als laatste trek ik mijn schoenen aan. Ik heb alles en klokslag 10u stap ik op de fiets, veel te laat want het is al bloedheet. Vanaf het huisje is het eerst een korte maar steile afdaling naar het stadje. Een procentje of 20 over een wegdek met kuilen en gaten en haarspeldbochtjes op miniatuurformaat. Een remblokkenslijter dus. De eerste keer dat ik naar beneden ging een dag na aankomst ging ik stapvoets. Inmiddels weet ik waar ik moet uitkijken en durf ik een stuk meer vaart te maken.

Onderaan de afdaling is het rechtsaf, langs de rand van Ponte a Moriano richting de hoofdweg, de Via Nazionale. Dit is een vrij drukke verkeersweg door het dal van de Fiume Serchio, een riviertje. In het begin is het een halve snelweg en moet ik zelfs naar de linker uitvoegstrook om op de juiste weg terecht te komen. In Nederland zou je hier niet mogen rijden, maar hier is er geen andere optie. Onderweg word ik met enige regelmaat ingehaald door strak gesoigneerde Italiaanse pelotonnetjes in wielerpakjes vol reclame. Waarschijnlijk onbekendere profteams of semiprofs, zo aan de goed opgepompte benen te zien. Het is hier ook een populair trainingsgebied voor renners. Niet ver voordat ik na 19 vals platte kilometers Bagni di Lucca bereik word ik ingehaald door een wat oudere man. Zoals elke Italiaanse renner strak geschoren benen, gelikte fiets en een strak pakje aan. En oud of niet, hij heeft kuiten als noordfranse kasseien. Een klein stukje verderop moet ik een klein straatje rechtsaf in. Op google street view heb ik de hele route gecheckt dus dat komt wel goed.

Enkele honderden meter voor me zie ik de oudere man rechtsaf slaan. Die gaat dezelfde klim doen blijkbaar. Ook ik ga even later het straatje in en gelijk begint de klim. De eerste meters zijn niet heel stijl. Sowieso gaat deze klim nergens boven de 10% als mijn vooronderzoek klopt. Dat is niets vergeleken met de klim naar Pizzorne die ik eerder in de week maakte, waar de laatste 5 kilometer 14% of meer waren…

 

Buon Giorno, Luciano

Het loopt dus lekker. Ik zie dat ik zelfs inloop op de oudere man. Na enkele bochten heb ik al een prachtig uitzicht over het smalle dal. Het is een smal weggetje met weinig verkeer en veel bochten die zich tegen een steile bergwand omhoog slingert. Na 2,5 kilometer klimmen komt er een langer recht stuk. De Italiaan rijdt nu vlak voor me. Hij kon me wel inhalen op het vlakke mijn zijn afgetrainde kuiten, maar op de klim ben ik de baas, ondanks mijn ongeschoren benen! Die gedachte geeft moraal en ik schakel een tandje bij zodat ik hem met een aardig tempo kan passeren. Ik passeer zijn achterwiel en de man kijkt om. “Ciao”, en er volgt nog een zin. “Buon Giorno, parlo non bene Italiano” zeg ik. In de maanden voor de vakantie had ik het plan opgevat een beetje Italiaans te gaan leren. Volle bak ben ik woorden en korte zinnen uit mijn hoofd gaan leren. Daardoor kan ik nu in ieder geval iets zeggen, maar verstaan doe ik nauwelijks iets. De man zegt weer wat maar ik versta hem niet.

Ik passeer maar de man blijft comfortabel in mijn achterwiel zitten. Dat is balen, want het tempo bij inhalen kan ik onmogelijk vasthouden. Sowieso beginnen de benen al aardig te verzuren nu, terwijl de top nog zo’n 5km weg is. We rijden het stadje Benabbio binnen. Een prachtig bergstadje met smalle straatjes. Ik zie mensen in de schaduw zitten in prachtige tuinen en passeer het kerkje. Even verderop passeren we een kleine Ristorante waar een paar mannen met een kop koffie ons aanmoedigen. “Forza, forza!” Ik laat het tempo iets zakken en de man komt naast me rijden. “Germany?” Vraagt hij. “Non, Abito a Rotterdam, Ollanda.” “Bello, bello! Ollanda è un paese bellisomo!” “Grazie, Ollanda è piatto, non monte” zeg ik in mijn beste Italiaans. “You good climber, skinny” zegt de man. “Sono Luciano, e tu?” Ah, die heb ik geleerd, “sono Tim, e sono trent’anni”. “Bello, sono sessantadue”. Ik moet even nadenken, de getallen ben ik nog niet erg goed in, maar dat is dus 62 jaar! “Tu è strong, sessantadue.” Ik probeer hem duidelijk te maken dat ik hem nog erg fit vind voor zijn leeftijd, maar volgens mij komt de boodschap niet helemaal aan.

 

Het leeglopende ventiel

Luciano heeft door dat ik mijn klim niet goed heb ingedeeld en gaat weer voor me rijden in zijn eigen tempo. Een paar kilometer kan ik aardig zijn wiel houden, maar 1,5 km voor de top loopt het ventiel aardig leeg, de energie in de benen raakt op en Luciano begint langzaam van me weg te rijden. Wordt ik hier zomaar door een Italiaanse 60+er weggereden, mooi is dat! Had ik toch mijn benen moeten scheren… De temperatuur zal inmiddels wel rond de 35C liggen, het zweet gutst van me af en mijn bidons zijn inmiddels al ver leeg.

Luciano kijkt om en ziet dat ik gelost ben. Hij houdt gelijk in om op me te wachten. “Tired”? “Si, il caldo” zeg ik. “Solo un chilometro, follow me”. Hij blijft naast me rijden. “Sei in vananza”? “Si, una casa a Ponte a Moriano”, pers ik eruit terwijl mijn benen bijna niet meer willen. Ik vind dat ik met die paar woorden Italiaans best nog een eind kom. “Ah, abito a Ponte a Moriano!” Hij zegt wat in het Italiaans waaruit ik opmaak dat hij me wel de weg wijst terug. “Grazie! Route short?” “Si, si, percorso piu veloce, short” zegt hij. Daar moet ik dan maar op vertrouwen.

Ik worstel me naast hem de laatste kilometer omhoog. Daarna volgt een lange afdaling. Ik laat hem zien dat ik bijna geen water meer heb. Luciano maakt me duidelijk dat hij verderop een plek weet waar water is. Kijk dat is dan weer handig. Na een paar kilometer dalen gebaart hij te remmen, en we stoppen in een bocht. Daar zit inderdaad een bron met drinkwater, ijskoud! Ik neem een paar flinke slokken en vul beide bidons. De zon brand als een gek in de strakblauwe lucht.

 

Op en neer

We vervolgens onze weg. De afdaling is minder stijl dan de klim, en dus ook een stuk langer. De top lag op 29km, na 9km klimmen. Pas bij kilometer 43 zijn we beneden, 14 kilometer dalen dus. Helaas is het van daar af niet vlak naar huis. We rijden langs de voet van de bergen en het gaat op z’n Zuid Limburg op en neer. We beginnen aan het einde van de afdaling gelijk aan een klim van 3,5 km lang in de volle brandende zon. In drink me een ongeluk. Gelukkig komen we vlak na de top weer een andere waterbron tegen waar we wederom kunnen bijtanken. Luciano maakt me duidelijk dat we het ergste nu gehad hebben, vanaf nu is het vooral naar beneden. Toch volgen er nog een paar gemene stukjes omhoog, maar kilometers lange wegen omhoog inderdaad niet meer. Vanaf kilometer 55 is het alleen nog dalen tot aan Ponte a Moriano. Luciano moet linksaf richting het centrum van het stadje, ik moet rechtsaf richting het huisje. We nemen afscheid. Ik probeer hem in mijn beste Italiaans te bedanken voor de hulp, en hij bedankt mij ook, ik denk voor het praatje, en hij wenst me nog een fijne vakantie.

Klim naar huisje

Ik rij richting die voet van de kuilen en gaten klim naar het huisje. Ik bedenk me dat ik zijn hele naam had moeten vragen! Misschien was het wel een oud prof of zelfs een oud Giro winnaar! Ik zal het helaas nooit weten. En ik had hem mijn Runkeeper route kunnen mailen als ik meer gevraagd had. Stom dat ik daar niet aan gedacht heb, altijd leuk om contact te kunnen houden. Ik bereik de voet van de klim. Ik heb de hele vakantie nog niet hoeven afstappen. Dat zal me dus ook nu niet gebeuren! Terwijl het inmiddels 39C is gooi ik onderaan de klim mijn bidons leeg en begin te klimmen. Ik sleur me omhoog en pers de laatst energie uit mijn benen! Als ik het stijlste stuk gehad heb draai ik bijna stapvoets en met ademgebrek richting het hek van het huisje. Ik rij het grasveld op, klik uit mijn pedalen en plof plat op het dorre gras om een paar minuten lang niet meer te bewegen onder toeziend oog van mijn reisgenoten! Gesloopt ben ik! Na een paar minuten strompel ik het huisje binnen om mijn zwembroek aan te trekken. Viva per la Toscana!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *